Taras Sjevtsjenko
- Taras Sjevtsjenko -
|
|
|
|
| Volledige naam | Taras Hryhorovytsj Sjevtsjenko (Ð¢Ð°Ñ€Ð°Ñ Ð“Ñ€Ð¸Ð³Ð¾Ñ€Ð¾Ð²Ð¸Ñ‡ Шевченко) |
| Geboortedatum | 9 maart 1814 |
| Datum van overlijden | 10 maart 1861 |
| Soort werk | poëzie, toneel, kritieken, literaire vertalingen |
| Â | |
|
Taras Hryhrovytsj Sjevtsjenko (Móryntsi, 9 maart 1814 - Sint-Petersburg, 10 maart 1861) was een Oekraïense dichter, humanist en schilder, één van de grondleggers van de moderne Oekraïense literatuur. Sjevtsjenko wordt beschouwd als de nationale dichter van Oekraïne, vergelijkbaar met wat Shakepseare is voor de Engelsen, Goethe voor de Duitsers, Poesjkin voor de Russen, van den Vondel voor de Nederlanders en Klaus Groth voor de Nedersaksen.
Waarschijnlijk was hij reeds in 1837 begonnen met het schrijven van poëzie, hoewel niemand deze andere artistieke kant van Taras had opgemerkt totdat hij de vrijheid verkreeg. In de bibliotheek van de schrijver Jevhen Hrebinka las hij bloemlezingen van Oekraïense folkloristische verhalen en werken van Ivan Kotljarevski en Hrihori Kvitka-Osnovjenka; In hetzelfde jaar won hij zijn derde zilveren medaille voor het schilderij 'De Zigeuner-Waarzegster' (Циганка-ворожка). In 1842 publiceerde hij een deel van de tragedie Nikita Haidai en in 1843 voltooide hij het drama Nazar Stodolja. In 1844 schreef hij ‘Hamalija’ (‘ГамаліÑ’), over een hetman, of Kozakkenleider. Na het succes van deze werken reisde Sjevtsjenko door Oekraïne en zag hij de barre omstandigheden waarin zijn landgenoten leefden; hij maakte ook het album met schetsen Schilderachtig Oekraïne. Op 22 maart 1845 kende de Academie van Kunsten hem de titel van kunstenaar toe en op dezelfde dag vroeg hij bij de directie van de Academie een paspoort aan om opnieuw door Oekraïne te reizen. Dit werd hem verleend en hij bracht de zomer van 1845 door met rondreizen door het land in alle richtingen en met het bezoeken en schilderen van de beroemde monumenten. Al snel kreeg hij een baan aangeboden bij de Archeologische Commissie, waar hij zijn kennis van de schilderkunst goed kon gebruiken. En tijdens die reizen schreef hij enkele van zijn meest satirische gedichten: ‘Droom’, ‘De Grote Kerker’, ‘Kaukasus’ en andere die hij opnam in de bundel 'Три літа' (Drie Jaren), die vanwege het karakter ervan niet werd gepubliceerd. Hij schreef zijn beroemde gedicht Testament in 1845. De auteur gaf het gedicht de vorm van zijn testament. Dit gedicht is het lied van de bevrijdingsstrijd van het Oekraïense volk, dat een grote invloed had (en nog steeds heeft) op de Oekraïense cultuur. Het werd vertaald in meer dan 150 talen. Uiteindelijk vestigde hij zich in Kyiv, waar hij zich aansloot bij een groep jonge wetenschappers waaronder Mykola Kostomariv en Pantelejmon Koelisj. Met hen en andere enthousiastelingen vormde hij de Broederschap van de Heiligen Cyrillus en Methodius, een politiek geheim genootschap dat drastische hervormingen binnen het Russische Rijk voorstond. Sjevtsjenko en andere leden van de Broederschap werden op 5 april 1847 gearresteerd, nadat het genootschap was verboden; hij werd naar Sint Petersburg gestuurd en nadat de politie bij een inval zijn gedicht ‘De Droom’, waarin hij de tsaristische regering bekritiseerde, had gevonden, werd hij verbannen naar de omgeving van Orenburg in het Oeralgebergte "onder streng toezicht, verboden om te schrijven en te schilderenâ€. In maart 1847 werden leden van de broederschap na een aanklacht gearresteerd. Sjevtsjenko werd op 5 april gearresteerd en overgebracht naar St. Petersburg, waar hij in een fort werd opgesloten. Tijdens de ondervragingen toonde de dichter grote standvastigheid en zelfbeheersing: hij nam geen afstand van zijn opvattingen en verraadde zijn medeleden van de broederschap niet. En in de twee maanden dat hij daar vastzat bleef hij gedichten schrijven, die later deel uitmaakten van de cyclus ‘Naar de Kazematten’ (‘В казематі’). Binnen de gevangenismuren, in afwachting van zijn veroordeling, schreef hij een uitzonderlijk lyrisch stuk, het gedicht ‘De Kersenboomgaard bij het Huis...’ (‘Садок вишневий коло хати...’). Zijn oneindige liefde voor Oekraïne wordt uitgedrukt in het gedicht ‘Het kan me niet Schelen of ik Moet Leven...’ (‘Мені однаково, чи буду...’).
Later werd hij opnieuw gearresteerd voor deelname aan revolutionaire bewegingen en als straf werd hij ingelijfd bij het leger en naar Orenburg gestuurd en vervolgens naar Kazachstan als soldaat, waar het hem verboden werd om te schrijven en te schilderen, hoewel hij dat in het geheim wel deed. Het meeste wat hij toen schreef waren Russischtalige romans vol Oekraïense uitdrukkingen die pas postuum werden gepubliceerd en waaruit de satirische invloed van Nikolaj Gogol in doorklinkt, hoewel ze ook veel van zijn eigen specifieke eigenaardigheden bevatten. De eerste waren De Vrijster (1852-3) en De Veroordeelde (1853-4), beide met het thema van rebellie tegen lijfeigenschap dat kenmerkend is voor zijn Oekraïense gedichten. Verder schreef hij nog zes romans - De Muzikant (1854-5), De Stakker (1855), De Kapitein (1855), De Tweeling (1855); De Kunstenaar (1856) en Een Wandeling met Plezier en niet zonder Moraal (1856-8). Hij schreef ook een dagboek in het Russisch, dat van grote waarde is voor de interpretatie van zijn poëtische werken en ook als bron voor de studie van zijn intellectuele interesses.
Sjevtsjenko als inspiratiebron
Schilderwerken en tekeningen
|
"Twee dingen vervullen het gemoed met steeds nieuwe en steeds toenemende bewondering en ontzag, hoe vaker en intenser het nadenken zich erop toelegt: de sterrenhemel boven mij en de morele wet in mij.
Дві речі наповнюють душу все новим та зростаючим захопленням і благоговінням, щочастіше і щотриваліше я про них розмірковую: зоряне небо наді мною і моральнісний закон в мені.
"

